Purling Penny

Breien met handen en voeten

Als breier heb je bepaalde gewoontes zodra je in het buitenland bent. Normale toeristen kijken naar kerken of pleinen. Breiers kijken eerst of er ergens een wolwinkel zit. Het hoort erbij. Je loopt door een onbekende stad en denkt niet: waar eten de locals? maar: verkopen ze hier mooi sokkengaren?

Dus toen ik in Italië was, bezocht ik natuurlijk een wolwinkel. Of eigenlijk meerdere. Italië heeft een lange traditie in wol en knitwear, de stad Biella staat zelfs bekend als de wolhoofdstad van Italië. Dat voelde voor mij als een soort bedevaartsoord, maar dan met kasjmier.

Alleen deze keer deed ik iets nieuws: ik ging naar een breicafé.

Dat vond ik spannend. Niet vanwege het breien, dat deel beheerste ik wel, maar vanwege het Italiaans. Want ik dacht dat ik best aardig Italiaans kon. Niet vloeiend natuurlijk, maar genoeg voor een klein gesprekje. Hoe moeilijk kon het zijn? Breien is tenslotte een universele taal.

En dat klopt ook. Tot op zekere hoogte.

Het begon goed. Ik kwam binnen, zag overal mensen breien en voelde meteen opluchting. Wol maakt een ruimte automatisch vriendelijk. Er werd gelachen, geteld, gezucht om patronen. Dat herken je direct, in elke taal.

Ik bestelde thee en probeerde ontspannen Italiaans te praten. Ik wilde zeggen dat ik vooral graag truien breide. Maar in plaats daarvan zei ik blijkbaar iets wat meer klonk alsof ik persoonlijk bevriend was met truien. Er viel een korte stilte waarin iedereen heel beleefd bleef glimlachen.

Daarna ging het mis met het woord voor “uithalen”. Ik dacht dat ik het juiste werkwoord gebruikte, maar de vrouw tegenover me keek ineens bezorgd naar mijn breiwerk alsof ik van plan was het helemaal kapot te trekken.

Toch maakte het uiteindelijk helemaal niet uit.

Want zodra iemand haar project liet zien, begreep iedereen het meteen. Dat kleine optillen van het breiwerk. Dat knikje van de anderen. Het universele “oooooh” bij mooie patronen. Niemand hoefde uit te leggen waarom een goede boord gelukkig maakt.

Er werd ook veel met handen gepraat. Dat hielp enorm, want Italianen doen dat sowieso al. Een Italiaanse breister die uitlegt hoe ingewikkeld een patroon is, gebruikt ongeveer dezelfde bewegingen als iemand die uitlegt hoe groot een vis was die ontsnapt is.

Op een gegeven moment zaten we gewoon samen te breien. Af en toe een woord, vaak een glimlach. Iemand gaf me koekjes. Ik liet mijn sok zien. Een andere vrouw haalde trots een half vest uit haar tas dat eruitzag alsof het rechtstreeks uit een dure winkel kwam.

En ineens dacht ik: dit is precies waarom breien overal werkt. Niet omdat iedereen dezelfde taal spreekt, maar omdat iedereen hetzelfde soort geduld begrijpt. Het tellen. Het opnieuw beginnen. Het zachte triomfgevoel van een geslaagd project.

Toen ik later weer buiten stond, met wol in mijn tas die ik absoluut niet nodig had maar wel had gekocht, voelde ik me opvallend tevreden.

Mijn Italiaans bleek minder goed dan gedacht. Maar mijn brei-Italiaans was blijkbaar uitstekend.

Purling Penny