Column

Breien in de trein


Er zijn hobby’s die je onzichtbaar kunt uitoefenen in de trein. Een boek lezen bijvoorbeeld. Of stiekem sudoku’s maken, waarbij je alleen af en toe zachtjes “ha!” fluistert. Maar breien is niet onzichtbaar. Zodra je je breiwerk tevoorschijn haalt, heb je publiek.

Het project is altijd klein. Geen dekens, geen truien die zich als wolmonster over je schoot uitstrekken. Nee, iets draagbaars, overzichtelijks. Iets dat geen schema vereist dat uit drie A4’tjes bestaat. Iets dat je met je ogen dicht zou kunnen doen. Dat is ook nodig, want je ogen moeten regelmatig iets anders doen: glimlachen naar medepassagiers.


Want de medepassagier, die zelf niet breit, maar zich wel geroepen voelt om er iets van te vinden, laat zich niet onbetuigd. Er komt steevast een variatie van de zin: “Wat leuk, breien is weer helemaal terug hè?” Of de klassieker: “Wat wordt het?”

Dat “weer terug” fascineert me. Alsof breien ooit met koffers en al naar Spanje is verhuisd, daar twintig jaar ondergedoken heeft gezeten, en nu met een comeback bezig is. Op zo’n moment probeer ik altijd een vriendelijk antwoord te geven. Want ik bén ook iemand die vindt dat breien leuk is. Maar tegelijkertijd wil ik mijn handen laten bewegen, wil ik die wol voelen glijden, wil ik meters maken. Terwijl mijn mond ondertussen uitlegt dat het een sjaal wordt ben ik mentaal steken aan het tellen, want praten en breien tegelijk is een kunstvorm. Eén die ik nog niet helemaal beheers.

Soms biechten mensen op dat ze zelf niet kunnen breien. Dat zeggen ze met een mengeling van spijt en trots, alsof het zowel een gemis als een stoere keuze is. Dan wil ik antwoorden: “Geeft niks, ik kan niet origamiën.” Maar meestal zeg ik gewoon: “Oh, joh, dat kun je zo leren.” Wat op een rare manier klinkt alsof ik ze een foldertje ga overhandigen voor een avondcursus ‘Basis Breien in 3 lessen’.

Het mooiste moment was een keer dat ik verderop iemand spotte met een bol wol in haar tas. Het topje van een breiwerkje stak er duidelijk bovenuit. Ik wachtte, verwachtingsvol. Zij zat daar, ik zat hier, samen hadden we de perfecte gelegenheid om in stilte zusterlijk te tikken met onze pennen. Maar nee. Ze haalde haar breiwerk er niet uit. De volle anderhalf uur dat ze in die trein zat niet. Ik kon alleen maar concluderen dat ze misschien bang was dat we als duo gezien zouden worden. Het Breiersgilde van wagon 14.

En dat snap ik ook wel een beetje. Want breien in de trein is niet neutraal. Je zendt iets uit. Iets van: ik ben hier op mijn gemak. Iets van: mijn handen zijn druk maar mijn hoofd is kalm. En iets van: ik ben het type mens dat rondloopt met wol in mijn tas.

En eerlijk? Ik vind dat wel een fijn type mens.

 

PurlingPenny